‘Was ze maar niet zo zwaarmoedig’

Met de novelle Indespærret (Gekooid) van Olivia Levison heb je meteen veel van de thematiek en stijlmiddelen van auteurs uit de moderne gennembrud in een notendop bijeen:

Novellenbundel met Indespærret

de beperkingen voor jonge ongehuwde vrouwen in een traditionele burgermaatschappij, onvervuld erotisch verlangen bij vrouwen, de rol van de vrouw, hysterie als typisch vrouwelijk gedrag, een naturalistische verklaring van het bestaan vanuit erfelijkheid en milieu, evenals stilistische experimenten zoals het spelen met vertelperspectief en de impressionistisch gekleurde toepassing van een soort filmisch beeld vol snelle bewegingen en geluiden.
Het is bepaald geen sinecure om zoveel elementen een plek te willen geven binnen de compactheid van een novelle zonder te verzanden in een ondefinieerbare kakofonie van stemmen, beelden en gedachten.

De novelle Indespærret werd als opzet in 1876 in een literair blad gepubliceerd en vervolgens in 1881 opgenomen in de bundel met de veelzegggende titel Gæringstid, die zoveel betekent als gistende, roerige tijden.

Olivia Levison (1847-1894) was afkomstig uit een intellectueel Joods milieu in Kopenhagen. Via haar broers kwam zij in contact met Georg Brandes en daarmee met het contemporaine literaire gedachtengoed en circuit. Ze was actief als vertaler, schreef voor literaire tijdschriften en nam deel aan het politieke debat met journalistieke bijdragen voor ondermeer het tijdschrift Politiken en het orgaan van de vrouwenbeweging Kvinden og Samfundet (Vrouw en maatschappij). Zelfstandig literair werk, waaronder behalve novellen ook haar enige roman Konsulinden (De vrouw van de consul), schreef ze onder het pseudoniem Silvia Bennet.

Olivia Levison. Houtskooltekening door Liselotte Hildernisse (2022)


Bij haar schrijfwerkzaamheden had ze andere auteurs als mentor, aanvankelijk twee (mannelijke) auteurs van de oude stempel, later onder anderen Georg Brandes zelf, die in een briefwisseling met zijn collega Erik Skram opmerkt dat Levison goede vorderingen had gemaakt sinds ze door moderne auteurs begeleid werd. Voorwaar een pluim op eigen hoed!
Als Levison enkele novellen, waaronder Indespærret in concept aan Skram voorlegt ter beoordeling, is diens commentaar vernietigend. Als dilettantisch wordt haar werk afgefakkeld, met een voorzichtig positieve uitzondering voor Indespærret, waarover hij Brandes om advies vraagt. En Brandes doet er eigenlijk nog een schepje bovenop: veelbelovend, maar o zo zwaarmoedig. Maar het zou volgens hem niet verstandig zijn haar te adviseren om met schrijven te stoppen, dat versterkte haar zwaarmoedigheid wellicht nog terwijl een positieve ontvangst misschien wel bevorderlijk zou zijn om de zwartgalligheid uit haar hoofd te verdrijven….
Maar daar hielpen Brandes en Skram niet daadwerkelijk bij. Hun erkenning liet op zich wachten, letterlijk tot aan haar dood. Pas in een necrologie naar aanleiding van haar dood kwamen de lovende woorden uit Brandes’ pen: ‘In haar geloof in de wetenschap, haar verachting voor bekrompenheid en vooroordelen, in haar liefde voor vrijheid, ook die van het denken, was ze volstrekt zeker van de koers die ze moest varen.’

Dan de novelle Indespærret zelf. Ruwweg telt een novelle tussen de 50 en 100 pagina’s, maar die grens is niet dwingend. Indespærret is met zijn kleine 30 pagina’s feitelijk eerder een kort verhaal, maar wordt toch algemeen als novelle beschouwd, wat me ook wel te verdedigen lijkt omdat het verhaal door de spanningsboog op zichzelf kan staan als boek. Het werk is opgebouwd als een raamvertelling en opent met de scène waarin Rørby, een welgestelde weduwnaar op leeftijd, onverwacht met een meisje van een jaar of tien thuiskomt. Uiteraard vraagt dit om een nadere verklaring van Rørby, wat de kern van de raamvertelling gaat vormen. Aanvankelijk wordt het verhaal verteld door een onzichtbare waarnemer, een zogenaamde alwetende, auctoriale verteller, waarvan eigenlijk altijd stilzwijgend wordt aangenomen dat het een mannelijke of onzijdige persoon betreft. Maar dan neemt Rørby het woord en daarmee verandert het vertelperspectief ingrijpend. Nu is het niet langer een buitenstaander die de situatie weergeeft, maar lezen we de geschiedenis door de ogen van een man die zelf actief onderdeel is van het gebeurde en oordeelt dan wel analyseert. Deze invalshoek met een fictieve mannelijke ik-verteller geeft een vrouwelijke auteur in feite een grotere fysieke en psychische speelruimte om onderwerpen aan te snijden die voor vrouwen taboe zijn en de lezer duikt daardoor meer in het hoofd van de mannelijke ik dan wanneer de de schrijfster onder een mannelijk pseudoniem zou schrijven. Daarbij kan de keuze voor een man die de vrouwelijke psyche analyseert, natuurlijk ook als verkapte kritiek gelezen worden op de gevestigde orde waar de man het voor het zeggen heeft. Pil Dahlerup concludeert in haar proefschrift dat vrouwelijke auteurs in de periode van de moderne gennembrud opvallend vaak een niet-vrouwelijke ik-verteller inzetten. Ze komt voor Olivia Levison bijvoorbeeld uit op negen maal een onzijdige/neutrale ik-verteller, vier maal een mannelijke en slechts tweemaal een vrouwelijke. Daarentegen zijn de hoofdpersonages vrijwel altijd (jonge) vrouwen – maar hun geschiedenis vertellen zij niet zelf.

Rørby vertelt over de ontmoeting met de jonge pianolerares Ulla Hoff, die hij als het ware dierlijke trekken meegeeft waarmee de toon van de geschiedenis is gezet: ‘Ze was lang met brede schouders en een fier gestrekte hals, haar voorhoofd was tamelijk laag en ze streek haar dikke haar mechanisch naar achteren. Haar ogen waren donker, bruin of grijs, wijd open en niet diepliggend, de forse wenkbrauwen bogen af naar de neuswortel, waarboven ze in een vaag zichtbare lijn in elkaar overliepen terwijl ze aan de zijkant in een grote slingerende boog helemaal tot aan de slapen welfden. […] Aanvankelijk was ze zwijgzaam en zette ze een dwars en somber gezicht op. Maar gaandeweg ontdooide ze en toen ik mijn reizen te berde bracht, verwijdden de pupillen in haar ogen zich en begon ze op haar rode onderlip te bijten met haar scherpe blauwige tanden die ver uit elkaar stonden als bij een wild dier.
Al snel blijkt dat ze helemaal klem zit in haar kleinburgerlijke milieu terwijl ze ernaar snakt, haar vleugels uit te slaan naar een wijde wereld van reizen, muziek, kunst – kortom “leven”. Ze zit opgesloten, gekooid als een getergd wild dier. ‘In gedachten bleef ik toch met haar bezig en geleidelijk zelfs met een heel apart gemengd gevoel, een beetje zoals wanneer je ziet hoe een leeuw in gevangenschap door het gepeupel gesard wordt en je ergens wel zou willen dat die uit zijn kooi zou kunnen losbreken. Op een dag zal zij uit haar kooi losbreken, zei ik tegen mezelf, en dan – arm kind!’ Die kooi met zijn tralies wordt verderop in het verhaal als het ware gevisualiseerd door een prieeltje van dooreengevlochten takken, waarin Ulla als een getergde leeuw haar zelfbeheersing volledig verliest. Als Rørby later naar haar op zoek gaat, is de vogel gevlogen: ‘Een kwellend verontrust gevoel en iets wat op schaamte leek, dreven me terug naar de plek vanwaar je bij het prieel naar binnen kon kijken. Het was verlaten maar een paar geknakte takken sleepten levenloos hun prille blaadjes door zwarte, bubbelende regenplassen en het dorre loof op de aarde was geplet en vertoonde nog de afdruk van een menselijk lichaam … ‘
Ondanks haar kennelijke muzikale talent dat haar mogelijk boven die verarmde kleinburgerlijkheid zou kunnen uittillen, wordt haar lot toch door haar milieu gedefinieerd, haar hoofd stoot letterlijk bijna tegen het plafond in de huiskamer. De vader is zwak, een schim van de patriarch van weleer: ‘Ik volgde onwillekeurig haar blik en zag dat die bleef hangen bij een leunstoel naast de kachel, waar een oude man zat met een grauw en doorgroefd gelaat en dunne haarlokken over zijn kruin, gekleed in een verschoten kamerjas die van voren open hing waardoor een smoezelig en verkreukeld hemd zichtbaar werd, dat ook openstond en zijn hals vrijliet waarvan de diepe huidplooien bedekt waren met grijze baardstoppels. Ook zijn kin was ongeschoren en de hele verschijning die daar voorovergebogen zat met zijn handen plat op zijn knieën en zijn benen krachteloos uitgestrekt, maakte een indruk van totale zwakte en apathie.‘ En een huwelijk binnen haar milieu zou haar ook niet verder brengen, want de enige mogelijke kandidaat, de jonge Herman Daa, is een toonbeeld van verweekte slapheid, zowel in uiterlijk als optreden. In de mannelijke dominantie zit duidelijk de mot.
Nee, dan Ulla met haar opstandige kracht. Rørby is gefascineerd door Ulla, terwijl ze met haar dierlijke onbeheerstheid totaal niet beantwoordt aan het (ideaal)beeld dat hij van een vrouw heeft: ‘Ik probeerde er een verklaring voor te vinden dat ik me tot Ulla aangetrokken voelde. Het leek me deels uit nieuwsgierigheid, deels uit sympathie te zijn. Niets erotisch, althans ze bekoorde me niet speciaal. Ik had altijd een geregeld leven geleid en de vrouwen die ik had gekend, waren gelukkig geweest of hadden althans de kunst verstaan om hun teleurstellingen met zoveel beschaving en zachtaardige terughoudendheid te verbergen dat ik onwillekeurig twijfelde aan de kracht van vrouwelijke gevoelens. Bij een vrouw verwachtte ik berusting in plaats van wanhopige opstandigheid en ik zag altijd met verbazing als bepaalde grenzen werden overschreden. Aan de andere kant trok het nieuwe en verrassende in Ulla’s karakter me op een speciale manier aan, hoewel het wel een afstand schiep tussen ons.‘ Rørby speelt hierin een dubbele rol (hij zegt zelf dat zijn rol hierin hem niet helemaal duidelijk is). Aan een kant werpt hij zich op als haar redder om haar leven op een hoger plan te brengen en wordt hij door haar aangetrokken, aan de andere kant wakkert hij juist door haar aan een wereld van muziek en kunst te laten ruiken haar onvrede aan en stapelt hij door zijn afwijzing van haar toenadering alleen maar nieuwe barrières op, wat haar tot uitzichtloze verloedering buiten de maatschappij drijft. Inderdaad: ‘arm kind’, zoals Rørby al dacht. Is de moraal van het verhaal dat je je gewoon moet aanpassen aan de burgerlijke conventies? Heeft Rørby eigenlijk een schuldgevoel over zijn bemoeienissen, of spijt? En dat kleine meisje, waar het hele verhaal in feite om begonnen was? Benieuwd naar de hele novelle? Lees die hier.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *