Op zoek naar Torelore (2) – Het groene eiland

Karin Michaëlis. Aquarel door mijzelf.

Het vorige bericht, Torelore 1, is een reconstructie van het leven van de auteur Karin Michaëlis, waarbij ik wilde laten zien hoe leven, ideologie en werk bij haar nauw verweven waren. Deel 1 gaat ook over Torelore, symbool van een vreedzame wereld.
In het jeugdboek Den grønne ø, (Het groene eiland) lijkt alles wat Karin Michaëlis dreef en vormde min of meer samen te komen. Het zou een van haar laatste romans worden. Daarna zette ze zich tijdens WOII als een ware ambassadeur voor een betere wereld onverdroten in voor het uitdragen van de vredesgedachte via lezingen en reportages voor kranten en tijdschriften. Na de oorlog was het tijd om de balans van een leven op te maken in de Engelstalige autobiografie Little troll gevolgd door een lijvige, driedelige Deense autobiografie Vidunderlige verden (Fantastische wereld).
Maar nu in dit bericht dan de schijnwerpers op de fenomenale roman Den grønne ø die in mijn ogen niet onderdoet voor een klassieker als Robinson Crusoë.

De wereld verzuipt


Voor het eerst kiest Karin Michaëlis (KM) in een jeugdboek voor een jongen als hoofdfiguur: de vijftienjarige Torben. Hij mag van zijn ouders voor het eerst een nachtje buiten slapen. Dat kamperen is uiteraard ontzettend spannend en hij heeft onder een grote boom een heel gezellig holletje ingericht, compleet met dekens, eten, het kompas van vader en een boeketje bloemen van moeder. Het avontuur kan beginnen, hij is er helemaal klaar voor. Maar ’s nachts wordt hij wakker:

Even denkt hij dat hij wakker is. Dan slaapt hij weer, hij weet het zeker. Maar ineens is hij klaarwakker. Er is iets anders dan anders. Raar. Klopt niet. Akelig. Vast iets met het licht. Het verblindt je. Je ogen gaan ervan branden en prikken. Echt. Het licht verblindt je. Maar waar komt het vandaan, dat gekke gele licht? Het is niet eens halve maan en ver na middernacht kan het ook niet zijn. Hij is echt hondsmoe. Hij zou zomaar urenlang kunnen slapen. Als zijn ogen maar niet zo branderig zouden aanvoelen. Hij houdt de handen voor zijn ogen: het gele licht gaat er doorheen. Houdt een schoen voor zijn ogen: het schijnt door zijn schoen heen, alsof die van glas is. Maar ... als het licht overal doorheen schijnt, danne ... kan het ... toch - alleen maar ... radium !!! Ra-di-um!!! Torben schiet met een ruk rechtop. Weg wezen, radium! (...) Maar waarom is het zo stil? Hij wrijft in zijn ogen en ziet alleen blauwe lucht en blauw water. Verder niksniemendal. (...) Waar is het bos, waar is het kasteel, waar is ...(..) Waar is Tåsinge, waar is Svendborg? Waar is ... alles?
Het groene eiland. De ingekleurde illustratie van Hedvig Collin. Het is eigenlijk een exacte (gespiegelde) kopie van het bestaande eiland Thurø.

Het verhaal speelt zich overduidelijk op Thurø af, al wordt dat nergens expliciet aangegeven.
Hoewel verder in het boek vooral over een onderzeese vulkaanuitbarsting wordt gesproken en de bewoners aanvankelijk denken dat de dag des oordeels is aangebroken, is het een verleidelijke gedachte om te denken dat er een explosie van een kernwapen, een uraniumbom, heeft plaatsgevonden. Bij kernsplijting valt uranium immers uiteen waarbij radium als radioactief vervalproduct vrijkomt. Op zich is het onwaarschijnlijk dat KM al op de hoogte was van de effecten van kernwapens toen ze het boek schreef. Ook het feit dat een onderzeese vulkaanuitbarsting geel licht kan veroorzaken, onderschrijf ik. Door de vorming van damp en stoom of door drukgolven die zich in cirkels uitbreiden, kunnen in zo’n situatie immers vormen van geel licht in de atmosfeer optreden, zoals zichtbaar is in de bijgaande afbeelding.Verder wordt er nergens in het boek op gezinspeeld dat er bijwerkingen van een overdosis straling zouden zijn ontstaan.
Dit alles pleit er zeker voor om ervan uit te gaan dat een onderzeese vulkaanuitbarsting de overstroming en het gele licht heeft veroorzaakt – een interpretatie die in de literatuur over Den grønne ø ook vrijwel standaard valt terug te vinden.
Maar toch …
KM kende Albert Einstein goed, die al in de jaren ’30 in toenemende mate vreesde voor de ingrijpende effecten van kernsplijting. Bovendien vormt naar mijn idee het feit dat de oorspronkelijke versie die Maria Lazar in 1932 in het Duits vertaalde, fundamenteel afwijkt van het Deense fragment dat ik hierboven heb weergegeven, een zeer sterk argument voor de visie dat een kernexplosie de natuurramp heeft veroorzaakt. In het Duits ontbreekt namelijk het fenomeen van het gele licht dat overal doorheen gaat. In de periode na1932 heeft KM er kennelijk bewust voor gekozen het gele (radioactieve) licht toe te voegen dat Torben als radium herkent.
Niet helemaal logisch – maar misschien toch een impliciete verwijzing naar de uraniumbom? 1

De hele wereld lijkt door de gevolgen van de explosie onder water te zijn verdwenen, alleen het eilandje Thurø is gespaard gebleven. Het is er stil, alle vogels zijn uitgevlogen, er is geen radiocontact meer mogelijk met de rest van de wereld. Blinde paniek alom – help, de wereld verzuipt! – hamsteren!!
Er moet een halt worden toegeroepen aan de chaos en men besluit een raad van tien wijze mannen te vormen, die een en ander moeten gaan reguleren. Maar er is ook behoefte aan een echte leider. De titel ‘koning’ riekt te veel naar het oude bestel, ook ‘president’ of ‘directeur’ roepen ongewenste associaties op. En zo komen ze uit op de functie van consul, een titel die verankerd is in de republikeinse tijd van de oude Romeinen en ook in de tijd van de Franse revolutie acceptabel was. De consul zal bij loting gekozen worden en iedereen, man, vrouw, jong of oud mag eraan deelnemen. Torben trekt het winnende lot en wordt daarmee tegen wil en dank consul, met de raad van wijzen aan zijn zijde. Op zich is hij ondanks zijn jonge leeftijd ook wel geschikt voor een leidersrol. Door het werk van zijn vader heeft hij het grootste deel van zijn leven doorgebracht in de Sovjet-Unie, helemaal in Siberië aan de grens met Mongolië en hij twijfelt wel eens waar hij thuishoort, in Siberië of op Thurø. Daardoor kan hij de situatie op Thurø met een heldere blik bezien – of zo je wilt door een ‘rood’ gekleurde lens.
De bevolking is furieus over de uitkomst van de loting. ‘Zo’n snotneus! moet die over ons regeren?’ Ze joelen en fluiten hem uit, dringen met gebalde vuisten om hem heen. Willen hem zelfs een krans van brandnetels opzetten:

Moet de consul geen kroon op? Bulderend gelach om hem heen. Hij keek omhoog alsof hij nog een keer de blauwe hemel wilde zien voor hij in het grote duister wegzonk. (...) En boze handen zwiepten brandende naalden in zijn gezicht. Hij verweerde zich niet.

De dominee liet het allemaal gebeuren maar Torbens vriendinnetje Malen schiet de als een Messias gekwelde Torben te hulp, gaat als een feeks tekeer en dwingt de te hoop gelopen burgers om Torben te feliciteren met zijn verkiezing tot consul. Schoorvoetend gehoorzamen ze en de rust lijkt weer te keren.
Terwijl de tienmansraad aan het bakkeleien is, bedenkt Torben allerlei constructieve oplossingen om het leven op het eiland draaiende te houden. Zo besluit hij dat het bestaande schoolsysteem op de schop moet. Alle kinderen moeten wel naar school maar het is afgelopen met de nutteloze lessen van vroeger:

Kom op kameraden, voortaan is het over met die stomvervelende school van vroeger die een ware kwelling was! Luister! Wat moeten we met die maffe jaartallen van oorlogen en koningen en keizers die allang niet meer leven. (...) Waarom moeten we rijtjes rivieren en bergen en landen en steden stampen, als er geen rivier of berg meer is maar alleen nog ons eigen groene eiland! Weg met vreemde talen! Natuurlijk gaan we naar school. Maar op een heel nieuwe manier.  
Hedvig Collin, de vaste illustrator van de kinderboeken van KM.

De kinderen bundelen hun krachten en richten om te beginnen de ‘Kinderrepubliek het groene eiland’ op. Per dag bekijken de gezworen kameraden wat een nuttige schooltaak zou kunnen zijn. Paddenstoelen zoeken bijvoorbeeld. Of hout sprokkelen voor de komende winter, of stenen verzamelen om een grote centrale voorraadkamer mee te bouwen. Ze besluiten niets meer weg te gooien maar waar mogelijk te hergebruiken. Een duurzame, ‘groene’ levensstijl dus.
Omdat de ruilhandel die bij de volwassenen van de grond is gekomen, wind in de zeilen blijkt te zijn van types die er een slaatje uit proberen te slaan, besluit Torben op advies van de vroedvrouw om het eigendomsrecht helemaal af te schaffen. Dan is er een volledig eerlijke verdeling, hamsteren wordt zinloos en de misdaad zal verdwijnen – want waarom zou je iets stelen wat toch al van jou is.
Langzamerhand transformeren ze de wealth economy in een health economy – ze gaan van welvaart naar welzijn.

Voor alle besluiten die genomen moeten worden kunnen ze voor raad en daad terecht bij de vroedvrouw, ook wel Syltesørine genoemd (Duits: Marmeladensörine), een weckpottenvrouwtje dus. Het Deense woord voor vroedvrouw is ‘Jordemor’, letterlijk aardmoeder. Het omgekeerde, moeder aarde, klinkt er ook in door. Ook vroedvrouw heeft een mooie, diepere connotatie, immers als vroede, wijze vrouw staat ze aan het begin van het nieuwe leven dat ze de wereld in geleidt. Syltesørine is wijs en staat dicht bij de natuur. Ze weet alles van wilde kruiden die als voedsel of medicijn kunnen dienen.
Het blijkt dat ze ook een goed bewaard geheim heeft: een gigantische hoeveelheid weckpotten met groente en fruit. ‘Het zijn er wel meer dan duizend!’ roept Torben geïmponeerd uit. Uiteindelijk vertelt de vroedvrouw het verhaal achter al die weckpotten – ze waren bedoeld om vluchtelingen nooit meer honger te laten lijden.
Begrijpelijkerwijs ziet de voormalige elite al deze collectieve hervormingen morrend en met lede ogen aan. Maar ook zij zien in dat je samen sterker staat dan alleen en gaan uiteindelijk overstag.
Met vereende krachten en de nodige inventiviteit van de uiterst zelfredzame kinderen en niet te vergeten het technisch inzicht van Torbens vader slaagt de bevolking erin om de energievoorziening op peil te brengen door het bouwen van windmolens en gebruik te maken van waterkracht. Een verdere overstroming wordt voorkomen en de bevolking slaat in euforische verbroedering een diepe zucht van opluchting.
En dan klinkt er plots

geruis in de lucht, net als wanneer de grote zwermen trekvogels naar het zuiden vliegen. De duiven komen terug!

En er is radioverbinding!

Illustratie van Hedvig Collin.

En hoe nu verder???

Censuur

Het bureau van KM. In het Bergmannhus is een kleine ruimte ingericht met enkele voorwerpen van KM, zoals haar bureau, het schilderij van respectievelijk haar moeder en Tao aan de wand en collages van krantenknipsels.

De boeken waarmee KM in 1902 in binnen- en buitenland doorbrak, had ze in een soort trancetoestand van enkele weken geschreven – ze ging aan haar bureau zitten, legde pen en papier klaar en wachtte tot de woorden vanzelf kwamen. Maar Den grønne ø ontstond bepaald niet in een flow van inspiratie. Aan de uiteindelijke uitgave ging een periode van ruim tien jaar schaven en sleutelen vooraf.
Het komt er in het kort op neer dat de eerste ruwe versie uit circa 1923 over een utopische droom in de loop der jaren omgewerkt werd tot de schets van een concreet ideaal samenlevingsmodel. In 1932 vertaalde Maria Lazar het nog niet gepubliceerde manuscript in het Duits, waarna de rechten op de Duitse versie werden gekocht door uitgever Herbert Stuffer. KM behield de rechten op het Deense manuscript.
De timing was ongelukkig – 1933, het jaar van de Rijksdagbrand, bracht Hitler sterker in het zadel. Uit angst voor represaillemaatregelen door het naziregime die het voortbestaan van zowel de uitgeverij als de werkzaamheden van de illustrator Hedvig Collin in gevaar zouden kunnen brengen, schrapte Stuffer eigenhandig diverse pro-Joodse passages waar het regime aanstoot aan zou kunnen nemen. In een schrijversportret van KM is literatuuronderzoeker en KM-kenner Birgit Nielsen er op een indrukwekkende manier in geslaagd om de gecompliceerde ontstaansgeschiedenis tot in detail te reconstrueren.2 Stuffer had KM niet van de wijzigingen op de hoogte gesteld en voerde later als doorzichtig excuus aan dat door rommelige omstandigheden tijdens verhuizing en ziekte bepaalde pagina’s verloren waren gegaan, waardoor hij gedwongen was geweest de tekst aan te passen. In Stuffers versie is het geheim van de vroedvrouw, de reden van de gigantische verzameling weckpotten, terug te voeren op een droom die ze ooit had over een enorme vlammenzee die om zich heen greep en alleen haar huis spaarde (p. 143/4 in de Duitse uitgave). Eenmaal op Thurø aangekomen, herinnerde ze zich die droom weer en bedacht ze dat ze er goed aan zou doen om in geval van een ramp een voedselvoorraad te hebben. ‘Um Brot und Fleisch und Milch konnte ich mich nicht kümmern; das kan man ja nicht so einmachen. Aber das, was ich verstand, habe ich getan,’ besluit ze de verklaring voor haar verzamelwoede. Een heel neutrale verklaring waaraan Stuffer zijn vingers niet zo snel zou verbranden.
Dat is heel wat anders dan wat KM oorspronkelijk had geschreven en wat de Deense editie uit 1937 biedt.3 KM had het verleden van de vroedvrouw een nadrukkelijk pro-Joodse kleur gegeven. In haar jonge jaren had de vroedvrouw als alleenstaande moeder zonder woonplek in Hamburg een warm thuis gevonden bij de orthodox-joodse familie van Schalom. Een familie die zelf nauwelijks het hoofd boven water kon houden maar een onverwacht in de schoot gevallen erfenis toch vanuit een door-en-door goed hart aan haar schonk zodat ze daarvan de opleiding tot vroedvrouw kon gaan volgen. Toen het uiteindelijk niet mogelijk bleek om dat geld aan Schalom terug te betalen omdat de familie aan cholera was bezweken, besloot de vroedvrouw om in plaats daarvan iets terug te doen voor alle Joodse vluchtelingen uit Oost-Europa.
De Deense versie uit 1937 is ten opzichte van het ongecensureerde manuscript uit 1932 ook weer bewerkt aangezien de actuele Jodenvervolgingen na 1933 er een plaats in hebben gekregen.
De gewraakte passages over het lot van de Joden betreffen herinneringen van de vroedvrouw. Zij vertelt Torben in de Deense versie over een vluchtelingenstroom Oost-Europese Joden op zoek naar een goed heenkomen in Duitsland, Hamburg in dit geval:


Een lange stoet, alleen maar Joden. Het was alsof ik Schalom weer over de pogrom in Oekraïne hoorde vertellen. De Joden die me tegemoetkwamen hadden nog doodsangst in de ogen. In vodden waren ze gekleed en als de kaftans van de oude mannen door de wind openwaaiden, zag je hun naakte uitgeteerde ledematen.

En jaren later las de vroedvrouw in de krant dat het antisemitisch geweld ook in Duitsland zelf was losgebarsten:

In de krant stond dat christelijke studenten in het universiteitsgebouw de arme Joodse studenten hadden gemolesteerd, ook de vrouwelijke Joodse studenten - ze sloegen hen en spuugden hun in het gezicht. Dat stond in de krant. (...) Toen dacht ik heel diep na. Misschien komt de dag ooit wel dat de Joden ook uit Duitsland worden verdreven! Waar moeten ze dan heen? Amerika is niet bereid nog meer arme sloebers op te nemen, wat moeten ze doen? Toen dacht ik - het was immers nog voor die ... die nacht ... En ik zei tegen mezelf: ze moeten ergens welkom zijn. Al is mijn huisje maar klein en krap, hier zullen ze voelen wat ik voelde toen Schalom zei: het geld is voor jou! En vanaf die dag begon ik in het geheim vruchten van de bomen en groente uit de tuin te verzamelen. Daarom hing ik kruiden in zakken te drogen. Ik wachtte tot het moment dat ik iets terug kon doen voor wat Schalom en zijn vrouw voor mij hadden gedaan ... (...) nu is dat niet meer nodig. Nu hebben overal ter wereld alle rusteloze Joden rust gevonden. Nu hebben ze de weg naar huis gevonden. (...) Nu kennen jullie het geheimpje van het weckpottenvrouwtje. Maar wie weet is het nog ergens goed voor dat ik al die kruiken en potten bij elkaar gesprokkeld heb. Nu kunnen ze hier op het eiland nog van pas komen.

Sommige scènes over de Jodenvervolgingen zijn gruwelijk, te gruwelijk om hier weer te geven, te gruwelijk voor een jeugdboek.

Het was een geruchtmakende roman. De Deense pers was er absoluut niet over te spreken. Zo meldde de Berlingske Aftenavis in 1937 dat moeders er geen goed aan zouden doen, hun kinderen zo’n propaganda voor te schotelen. Aan de andere kant zou het probleem zich volgens de krant vanzelf oplossen aangezien er weinig belangstelling voor zo’n slecht boek boek zou zijn. Die voorspelling kwam inderdaad uit, in Denemarken bleven de verkoopcijfers bijzonder matig. Buiten Denemarken vond het via de vertalingen echter wel een gretig lezerspubliek.

Titelblad van de Duitse versie. Aangezien het werk van KM in 1939 in Duitsland verboden werd en er waarschijnlijk veel boeken vernietigd zijn, prijs ik me gelukkig dat ik bij een antiquariaat nog een Duits exemplaar uit 1933 op de kop heb weten te tikken.

KM had, zoals aangegeven, de rechten op het oorspronkelijke Deense manuscript behouden maar door controverses met de Deense uitgever, vooral over het honorarium, ontstond de bizarre situatie dat het boek in Denemarken pas in 1937 op de markt kwam terwijl de Duitse versie al in 1933 verschenen was. Ook de Italiaanse en Tsjechische edities die op het (ongecensureerde) manuscript van Maria Lazar waren gebaseerd, verschenen al in 1933.
De Nederlandse vertaling uit 1937 door Geraldina Elberts met de originele tekeningen van Hedvig Collin is eveneens gebaseerd op het werk van Maria Lazar.4 De Nederlandse versie is in 2018 gedigitaliseerd maar op dit moment nog niet via Delpher toegankelijk en alleen op de leeszaal van de KB te Den Haag in te zien. Naar verluidt zouden er nog geen afspraken over het auteursrecht zijn gemaakt. KM is al meer dan 70 jaar geleden overleden waardoor er geen auteursrecht meer op haar werk rust, maar kennelijk zijn er nog andere rechthebbenden. Waarschijnlijk heeft het ermee te maken dat de illustrator Hedvig Collin in 1964 is overleden, minder dan 70 jaar geleden dus.

Utopia

Torben en kameraden weten met vallen en opstaan een samenleving op te tuigen die loopt als een geoliede machine. Het is een ideale, utopische samenleving waar menigeen in de ‘echte’ wereld alleen maar van kan dromen. Afgeleid van het oud-Griekse ‘ou’ en ’topos’ in de letterlijke betekenis van ‘geen plek’ is Utopia immers een ‘nergensland’, een ‘neverland’ – een land dat niet bestaat. Maar anders dan bij de illusie die een wensdroom van het absoluut ondenkbare is, klinkt bij utopie toch voorzichtig de hoop door, een voorzichtig optimisme dat zo’n land waarschijnlijk nergens te vinden is, maar misschien toch op de een of andere manier realiseerbaar is.
Van oudsher hebben al vele denkers verschillende versies van Utopia geconstrueerd vanuit een diep verlangen naar zo’n plek. Het wordt niet geschetst als een idyllisch Arcadië of paradijs, een Cocagne of ander luilekker Schlaraffenland waar de zuurstokken aan de bomen hangen. De basis blijft een min of meer realistische maatschappij waar gewoon gewerkt moet worden voor de kost.

Het eiland Utopia van Thomas More. De croissantachtige halvemaanvorm doet denken aan die van het groene eiland Thurø.

Thomas More was de eerste die het woord Utopia als zodanig gebruikte. In 1516 publiceerde hij zijn roman Utopia over een personage die het toenmalige politiek-sociale bestel bekritiseerde en zich terugtrok op een (fictief) eiland, een beheersbare wereld in miniformaat, nabij Perzië. More beschrijft een samenleving die gebaseerd is op sociale cohesie en gelijkheid. Iedereen neemt deel aan het arbeidsproces, maar wel uitsluitend met zinvol, vaak ambachtelijk, werk. De leiding van het eiland is in handen van een democratisch gekozen raad van functionarissen. De wil om samen te werken en het leven in de natuur geven een gevoel van algehele verbroedering.
Tot zo ver lijkt Den grønne ø van KM een naadloze kopie van More’s Utopia. Maar er zijn toch wel essentiële verschillen. KM blijft hoopvol en het goede in de mens, met name in het kind, blijft als basistoon doorklinken terwijl Thomas More in zijn slotwoorden verzucht dat hij die staat Utopia voor de hele wereld zou wensen, ‘al is het met weinig hoop.’ Dat komt misschien doordat More niet vanuit het concept van een ‘nieuwe’ mens denkt. Bij KM is geen plek voor het patriarchaat zoals bij More, zij kiest voor de combinatie van matriarchaat en ‘pediarchaat’, de leidende rol van respectievelijk de vroedvrouw en de kinderen. Het is de pedagogische geest van Schwarzwald, maar in de rol van het kind als bouwer van een betere wereld, terug in de natuur, klinkt ook de stem van de verlichtingsfilosoof Rousseau door met zijn nieuwe sociale contract en opvoedingsidealen. Het kind als nieuwe, betere mens met een haarfijn afgesteld ethisch kompas. Door samenwerking kan de gewenste vernieuwing tot stand komen, of in de woorden van D66 5 in de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 2025: ‘Het kan wél.’ Bij alle vertrouwen en hoop suggereert het open einde van Den grønne ø overigens wel dat ook KM de nodige twijfels heeft.
Een ander verschil is dat de eilandbewoners bij More zich in hun ‘vrije’ tijd verdiepen in de wetenschap terwijl Torben en kornuiten hun boeken juist wegdoen als overbodige ballast. KM was overigens niet wars van wetenschap: de bouwtechnische hoogstandjes van Torbens vader, een ingenieur, en het technische vernuft van de kinderen krijgen een rol van betekenis bij het aanpakken van problemen. Maar dan gaat het om toegepaste kennis en inzicht, niet om dorre feitenkennis.

Utopische roman als politiek manifest

Een roman die een dergelijke ingrijpende systeemverandering in de richting van het ideale bepleit, is onmiskenbaar utopisch.
Het schetsen van een utopische samenleving is een geschikt instrument om (indirect) het heersende politiek-sociaal-economische bestel aan de kaak te stellen door de gebreken uit te lichten en te laten zien hoe het anders kan.
KM liet de roman op Thurø spelen, waarbij sommige personages overduidelijk op bestaande personen zijn geënt. In die zin kun je het boek als een sleutelroman lezen. In de figuur van de vroedvrouw kun je overigens gemakkelijk KM zelf herkennen: overtuigd van het goede in het kind, onconventioneel, met een duidelijk maatschappijbeeld voor ogen, filantropisch en niet te vergeten verwoed verzamelaar van goed gevulde weckpotten. KM was in het echte leven ook een soort weckpottenvrouwtje. Haar verzameling weckpotten op Thurø voor de vele vluchtelingen aan wie zij onderdak bood, overleefde de oorlogsjaren zonder een barst of breuk dank zij de goede zorgen van buren.

Thurø anno 2025.

In het boek waren de bewoners van het rustige en lieflijke groene eiland tot aan het moment van de watersnoodramp best tevreden met hun leventje, er was geen innerlijke drang om iets aan het bestaande bestel te veranderen. Een gezapigheid die in de ogen van KM niet langer acceptabel was in de turbulente tijden van toen. Thurø als pars pro toto voor heel Denemarken zou kritiek op het hele Deense land impliceren. In toespraken had ze de Denen al eerder opgeroepen om vanuit hun comfortabele, kapitalistische, individualistische coconnetje niet langer weg te kijken van de antisemitische terreur en nazi-wreedheden in Europa. Kritiek op Denemarken – maar ook op de westerse samenleving als geheel, kritiek ten faveure van het collectieve systeem van de Sovjet-Unie.
Het schetsen van een ideale wereld is uiteraard een vorm van reflectie. Of je er daadwerkelijk iets mee doet is een ander verhaal. Het kan een heel ongemakkelijk gevoel geven als je ziet dat er dingen moeten veranderen zonder te weten hoe. En dan nog maar te zwijgen van het benauwende gevoel dat je kan bekruipen als je je vermeende zekerheden en verworvenheden waar je wellicht je identiteit aan ontleent, moet opgeven. Als wegkijken of je in het bestaande voegen geen optie is, kun je je passief als een kluizenaar in een veilige bubbel terugtrekken, maar je kunt ook uit je luie stoel komen en actief aan de slag gaan met het veranderen van het systeem. Maar daar is wel lef voor nodig. En in feite ook een radicale omslag, een katalysator waardoor je wel gedwongen wordt tot handelen. Het kan een verandering van binnenuit zijn (zoals een revolutie of opstand) om de bestaande constellatie te ontmantelen of een omwenteling van buitenaf waarbij je aan catastrofes als oorlogen of natuurrampen kunt denken. Of een kernbom, zoals wellicht in Den grønne ø. De bestaande wereld is dan weggevaagd en er is geen ander alternatief dan de boel weer opbouwen van de grond af aan. Het Utopia-model kan dan als een soort blauwdruk dienen of in elk geval als leidraad.

KM ontving voor haar inzet voor de vrede tijdens de bezetting 1940-45 de vrijheidsmedaille van koning Christian X.

In dit licht mag je Den grønne ø met recht als een – literair verpakt – politiek manifest zien. Een politiek manifest door een schrijver die zichzelf nadrukkelijk als een persoon afficheerde die zich niet met politiek bezighield? Politiek was iets wat naar eigen zeggen ver van haar af stond, waar ze zichzelf eigenlijk ook niet slim genoeg voor vond. Met deze (valse?) bescheidenheid deed ze zichzelf absoluut tekort. Misschien was ze geen politicus in de strikte zin van het woord, maar politiek in de geest van de oud-Griekse wijsgeer Aristoteles was ze zeker. Immers, ‘De mens is volgens Aristoteles (…) een ‘politiek dier’ (zoön politikon),’ betoogde de classicus Bram Witvliet onlangs nog in NRC, ‘een wezen dat van nature neigt naar samenwerking en betrokkenheid op de gemeenschap. Vriendschap is hiervoor de conditio sine qua non en is daarmee bij uitstek een politieke deugd.’6

In welk hokje je KM ook wilt stoppen, in één hokje past ze naadloos: dat van humanist op de bres voor wie verdrukt werd door de samenleving, op zoek naar een vreedzame wereld, een soort Torelore.

Voetnoten

  1. Met veel dank aan Eva Kvorning, webmaster bij de Deense Karin Michaëlis Selskab (karinmichaelis.dk), voor de interessante en goed gedocumenteerde discussie over de interpretatie van het gele licht.
  2. Birgit S. Nielsen, 2002, Karin Michaëlis. En europæisk humanist. Et portræt i lyset af hendes utopiske roman Den grønne ø. Museum Tusculanums Forlag, Københavns Universitet.
  3. In zijn review van Nielsens studie, in Tijdschrift voor Skandinavistiek, Vol 23 nr 2 (2002), p. 303-306, wijst Anders Bay er heel terecht op dat Nielsen bij alle nauwgezetheid toch een beetje over de diverse paginanummeringen in de verschillende edities lijkt te struikelen. Nielsen schrijft dat de bewerkte passages in de Deense uitgave p.196-202 betreffen, Bay noemt p.124-130, terwijl het in mijn uitgave om p. 136-142 gaat. Wellicht heeft het er mee te maken welke uitgave je hanteert. Nielsen en Bay schreven hun bijdragen in 2002, ikzelf gebruikte de digitale e-book versie uit 2017 die geen illustraties bevat. In elke geval betreft het hoofdstuk Brændenælder/Brennesseln (brandnetels).
  4. Het groene eiland, vertaling G.W. Elberts, 1937, illustraties door Hedvig Collin. Rotterdam, Nijgh & Van Ditmar.
  5. Nederlandse politieke partij die democratie en een rechtvaardige samenleving hoog in het vaandel heeft staan.
  6. Bram Witvliet, Vriendschap is óók een politieke deugd. Lezersbrief in NRC, 11-10-2025.

6 gedachten over “Op zoek naar Torelore (2) – Het groene eiland

  1. Hoi Liselotte,

    Het artikel is duidelijk geschreven door een belezen iemand. Zijn de stukjes op de grijze achtergronden ook door jou vertaald? Ze zijn naar mijn idee voor kinderen heel prettig om te lezen. Hoewel prettig bij zo’n onderwerp…….

    Het verhaal is (deels) goed te vertalen naar onze huidige tijd denk ik. Dat geldt zeker ook voor Nederland, waar de opkomst van rechts extremisme je steeds meer doet verlangen naar utopia. Althans zo werkt het voor mij.

    Mag ik zo vrij zijn, om alvast een suggestie voor (mijn) utopia te doen?

    Ik wil graag de volgende ministeries:

    – Ministerie voor de lange termijn
    – Ministerie voor het omdenken
    – Ministerie voor systeem verandering
    – Ministerie voor verbinding (ook virtueel)
    En natuurlijk een ministerie voor dieren en natuur, maar dat spreekt bij mij voor zich.

    Ik ga je artikel zeker nog een keer doorlezen, om de inhoud beter te laten “landen”.

    Groet,
    Peter Buisman

    • Ha Peter Buisman, dankjewel voor je uitgebreide reactie! Ja, de vertalingen in de grijze vakken zijn ook van mij. Er is een vertaling uit 1937 maar die heb ik niet bekeken aangezien die alleen op de leeszaal van de KB in Den Haag in te zien is – dat ga ik nog wel een keer doen.
      Ik ben het helemaal met je eens dat het verhaal nog steeds actueel is ook al is het bijna 100 jaar oud. Helaas, kun je wel zeggen. Je kunt er wel de boodschap in lezen dat er mogelijk wegen zijn om toch tot zo’n utopische samenleving te komen. En in een dergelijk bestel zal er zeker plaats zijn voor ministeries van jouw wensenlijstje.
      Misschien doet het je goed dat de schrijfster Karin Michaëlis heel sterk begaan was met dierenleed. In de huidige tijd zou ze mogelijk een soort Partij voor de Dieren hebben opgericht.
      Ik ben blij dat mijn blogbericht tot nadenken heeft gestemd!
      Groeten, Liselotte

  2. Wat leuk dat er hier in de reacties al wordt gespeculeerd over mogelijke utopieën, had KM dat ooit gedacht?! Als aanvulling op wat er al wordt gesuggereerd doe ik graag nog mijn duit in het zakje: een Ministerie voor de Solidariteit. Zoals de heer Witvliet al schreef neigt de mens van nature naar samenwerking en zorg voor elkaar (voor de liefhebbers hierbij een link naar het artikel in NRC: https://www.nrc.nl/nieuws/2025/10/11/vriendschap-is-ook-een-politieke-deugd-a4908842). Het zou mooi zijn als de overheid deze neigingen zou faciliteren en de juiste kaders schept voor werken aan gezamenlijke langetermijndoelen!

    • Het verlangen naar een utopische samenleving leeft op dit moment bij velen – of het nu linksom of rechtsom is. Het solidariteitsbeginsel is daarbij een hoeksteen, dat ben ik helemaal met je eens. Maar dat besef en de eerste stap liggen om te beginnen bij de mensen zelf, denk ik. Alleen al erover nadenken is een grote stap! Een ministerie kan het prima reguleren en stimuleren natuurlijk.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *