
Jeugdlectuur. Wat is dat eigenlijk? Van Dale noemt het net als jeugdliteratuur “boeken speciaal voor jongeren”. Een ruim begrip dus waar je alle kanten mee op kunt. Begrijpelijk is die vage afbakening wel – kinder- en jeugdboeken kunnen immers een heel divers gebied van lering tot vermaak bestrijken. Daarnaast beweegt het kindbeeld mee met de geest van de tijd.
Volgens mij is een kinder- of jeugdboek (voor het gemak schaar ik die aanduidingen verder onder de noemer ‘jeugdlectuur’ of ‘jeugdboeken’) pas een goed boek als het de taal van het kind spreekt, in thematiek en taalgebruik afgestemd op het ontwikkelingsniveau. Je wilt eigenlijk niets liever dan dat jongeren enthousiaste lezers worden en daardoor over de grenzen van hun eigen kleine wereldje heen leren kijken.
Op een van de bladwijzers die de lokale boekwinkel alhier met niet-aflatend optimisme in de boeken steekt, staat de tekst: Op een dag las ik een boek en mijn hele leven veranderde. Misschien een naïeve illusie maar het is wel een mooie gedachte. En hoe eerder je met lezen begint is dan des te beter, nietwaar. Gelukkig is er tegenwoordig een overstelpend aanbod jongerenboeken.
Maar hoe was dat vroeger eigenlijk? Had Denemarken in de negentiende eeuw wel een jeugdlectuur van enige betekenis? En welke rol speelden vrouwelijke schrijvers daarbij?
Op vleugels van de fantasie

Bij Nederlandse jeugdboeken in de negentiende eeuw denk je al snel aan ‘de brave Hendrik’ die tegen het eind van de eeuw werd ingehaald door de belhamel Dik Trom, achterstevoren op een ezeltje gezeten. Duitsland had vanaf het midden van die eeuw ‘Der Struwwelpeter’ waarbij stoute kindertjes een soms wrede straf te wachten stond. En natuurlijk het ondernemende stel ‘Max und Moritz’.
Maar kende Denemarken ook zulke iconische personages? Ik kan ze niet echt vinden. Maar wat Denemarken wel had, was H.C. Andersen die in zijn sprookjes een hele schare onvergetelijke personages tot leven bracht.
De eerste decennia van de negentiende eeuw was in Denemarken eigenlijk geen sprake van echte jeugdlectuur. Net als in omliggende landen waren er natuurlijk wel allerlei boekjes vol wijze lessen vanuit een christelijke ethiek in omloop. Deugdzaamheid, gehoorzaamheid, godvruchtigheid waren het brave moralistische credo.

Pas met het ideeëngoed van de Romantiek rijpte het inzicht dat kinderen unieke wezens waren met gevoelens en een rijke, speelse fantasie. In romantische ogen waren de kinder- en jeugdjaren een paradijselijke periode. Fascinatie voor het verleden deed romantici teruggrijpen naar volkssprookjes, sagen en legenden. De fantasie kreeg de vrije teugel. Welbeschouwd de fantasie van de schrijver dan, niet zozeer die van het kind.(Meer over de Romantiek en Deense schrijvers van die tijd staat te lezen in dit blog.)
De (volks)sprookjes van de Duitse Grimm-broeders en E.T.A Hoffmann werden in vertaling ook in Denemarken gretig gelezen. En op eigen grondgebied veroverden H.C. Andersen met zijn schier oneindige reeks sprookjes en liedboeken en in nauwelijks mindere mate die van B.S. Ingemann en N.F.S. Grundtvig de harten van ouders en kinderen. (Terzijde: Denemarken kent trouwens de mooie traditie om in het onderwijs de dag met samenzang te beginnen en Morgensange van Ingemann bijvoorbeeld staat nog steeds op het programma.) Een evergreen is ook het epische gedicht voor kinderen Flugten til Amerika [De vlucht naar Amerika] uit 1830 van Chr. Winther.

Uiteraard kwam er wel voorzichtige kritiek op al die nieuwlichtende romantische fantasie in kinderboeken, onder anderen van de schrijver P.M. Møller. Hij vroeg zich af of je er wel goed aan deed, kinderen te overladen met zo’n bonte fantasiewereld als ze nog maar zo weinig weten van de echte wereld. Maar dit op zich terechte bezwaar werd volledig overstemd door de visie van de grote Adam Oehlenschläger die al in 1816 de sprookjes van Grimm en andere schrijvers had vertaald en aanvoerde dat kinderen juist door sprookjes leren onderscheid te maken tussen goed en kwaad. Sprookjes zijn volgens hem verhalen waarin niet alles soepel verloopt, net als in het echte leven en zijn in die zin misschien waarachtiger dan vrome boekjes over braafheid. ‘Ook de fantasie abstraheert, net als het verstand. (…) Kinderen hebben over het algemeen een sterkere verbeeldingskracht dan volwassenen. Een kind weet heel goed dat een stok geen paard is; maar als het dat wil, kan het kind zich verbeelden dat het wel een paard is. (…) Met het ouder worden gaat dit vermogen bij de meesten verloren en komen er andere talenten tot wasdom. (…) Het ware levensgeluk kan volstrekt niet zonder de fantasie.’1
Een waarheid als een koe.
Indianenverhalen en zonnestraaltjes

De jaren 1830-1850 waren de hoogtijdagen van het sprookje.
Sprookjes bleven daarna geliefd maar werden wel steeds meer verdrongen door de ongekend populaire Engelstalige jeugdboeken die vanaf ongeveer 1850 in vertaling op de markt kwamen. Vertaalsters als Maria Bojesen en Betty Salomon waren verdienstelijke vertaalsters van dergelijke klassiekers uit de wereldliteratuur.
Het waren heuse romans met een aaneengesloten, breed uitgesponnen handeling. De avonturen van Robin Hood, Gulliver en Robinson Crusoë waren een openbaring voor de Deense jeugd die was grootgebracht met sprookjes en korte (bedtijd)verhalen. Vooral wat oudere jongens, zo van 10 tot 15 jaar, verslonden de verhalen over mannenmoed en avontuur in een wereld weg van moeders veilige rokken.

De tienermeisjes daarentegen kwamen er een beetje bekaaid van af. Zij moesten het nog een paar decennia doen met wat er voorhanden was. Tot in 1861 in Engeland het eerste deel van de uiteindelijk 30-delige serie Sunbeam van Mathilde (alias Henry) Mackarness uitkwam. Het was meteen een daverend succes. In hetzelfde jaar verscheen het al onder de titel Hvorledes man fanger en Solstraale [Hoe vang je een zonnestraal] in het Deens. Deze serie en aanverwante verhalen zijn bekend geworden onder de naam Solstraalfortællinger [Zonnestraalverhalen]. Het zijn brave en zoetsappige verhalen met steevast een happy end. De toon is moralistisch opvoedkundig en beloont typisch vrouwelijke eigenschappen als netheid, spaarzaamheid en tevreden onzichtbaarheid. De serie liep tot 1890 maar wordt ook nu nog uitgegeven.
Waren de sprookjes en versjes in feite genderneutraal geweest, met de jeugdboeken van Engelstalige bodem ontstond er langzamerhand een splitsing tussen boeken voor jongens en meisjes. Jongens gaan manhaftig op avontuur, het ideaal van meisjes ligt thuis. Een hardnekkig rolpatroon.
Geïllustreerde tijdschriften

Naast boeken was er speciaal voor de kleintjes een rijke keur aan kindertijdschriften. Sommige haalden maar een paar edities, terwijl andere zoals Børnevennen en Illustreret Børneblad jarenlang gretig aftrek vonden. Gevestigde namen als die van Andersen en Winther leverden trouw een bijdrage. Andersen was zelfs als het ware het gezicht van Illustreret Børneblad waarvoor dit tijdschrift hem in 1871 met een speciale uitgave eerde. Al vallen tijdschriften niet echt onder literatuur, er worden wel dezelfde thema’s behandeld. Verhalen over huis en tuin, sprookjes, versjes, het vaderland.
Aanvankelijk waren de bladen zonder illustraties maar na het midden van de eeuw werden illustraties een steeds belangrijker onderdeel, zeker doordat de techniek om in kleur te drukken steeds beter werd. Illustratoren als Jerndorff, C. Thomsen en Louis Moe maakten faam met illustraties van tijdschriften, prentenboeken en kinderboeken.
Tijdschriften zijn niet alleen voor illustere schrijvers een ideaal podium maar zeker ook voor debutanten en onbekendere namen. En voor vrouwen natuurlijk. Eindelijk komen er nu wat vrouwen in beeld, niet alleen als vertaler/ bewerker, maar ook als auteur zelf. De naam ‘Eva’ duikt op. En ‘Betty’. Daarachter gaan respectievelijk Fanny Tuxen en Betty Saugmann schuil. Saugmann werd vooral bekend om wat gezapige memoire-achtige verhaaltjes, de jeugdherinneringen van een moeder. Tuxens werk is beduidend minder gemoedelijk.
Catharsis
Fanny Tuxen (1832-1906) rolde eigenlijk per toeval in het schrijversvak. Eind jaren 60 had haar zwager in opdracht van een boekhandel een Duits kinderboek in het Deens vertaald. Ze vond dat boek zo weinig geschikt dat ze besloot om de zelfbedachte ‘verhaaltjes voor het slapengaan’ die ze haar eigen dochtertje had verteld, op te schrijven en te bundelen tot En moders fortællinger [Verhalen van een moeder]. Na dat debuut in 1866 rees haar ster snel en ze bleef niet onopgemerkt. Tuxen werd door eigentijdse critici gezien als een warmvoelende, fijnbesnaarde moraalridder. Zo prijst Anton Andersen in zijn historische overzicht uit 1896 haar ‘bijzonder zachtaardige en kinderlijke gemoed en opvallend edele en verfijnde persoonlijkheid.’ Een kritische noot ontbreekt daarbij niet: ‘Haar literaire werk is dan wel niet van bijzonder hoogstaande kwaliteit maar er klinkt een ware vrouwelijkheid in door. En door haar milde en zuivere toon verdient ze erkenning.’2. Met de ogen van nu zijn haar verhalen ontzettend sentimenteel en van stichtelijke geloofsijver doordrenkt. Ze deinst er in boeken voor jongeren van tienerleeftijd niet voor terug, haar vermaningen om niet te zwichten voor vrijdenkerij en de wereldse verlokkingen kracht bij te zetten met de nodige bijbelcitaten. Haar boeken voor jongere kinderen zijn luchtiger van toon maar ook daarin vormen liefde voor God en de medemens de rode draad. Toegegeven, haar verhalen bevatten ook wel een zekere spanning, wat een kind nieuwsgierig naar de afloop maakt. (spoiler alert: alles komt altijd op zijn pootjes terecht.)
Ze schildert niet louter een kinderwereld. Soms zijn de personages oude mensen, minderbedeelde volwassenen met een verbittering die het leven van henzelf en hun naasten vergalt. Maar door haar heldere taalgebruik en boodschap maakt ze die wereld wel toegankelijk voor kinderen.

De bundel kinderverhalen Fra Barnets Verden [Uit de kinderwereld] verscheen in 1883. Elk verhaal verloopt grofweg via hetzelfde stramien. Er gebeurt een ‘godswonder’ of de hoofdpersonage komt via een soort catharsis tot een dieper inzicht, waardoor alles goedkomt en iedereen gelukkig is. Per toeval vindt een kind bijvoorbeeld een kist met geld waardoor zijn ouders hun schulden kunnen betalen; er wordt een mand met voedsel bezorgd bij een arme weduwe zodat zij met haar kinderen de kerst niet hongerig hoeft door te brengen; verbitterde oude mensen laten God (weer) toe in hun leven en veranderen hun houding ten opzichte van hun medemens ten goede.
Tuxen is duidelijk begaan met de minderbedeelden. Iedereen is volgens haar een kind van God en daardoor in wezen goed. Alle mensen deugen. Maar soms hebben ze wel even een zetje nodig, zoals Valdemar in Valdemar komt thuis:

Het is een feestdag. Valdemar komt thuis! Hij gaat in de grote stad naar school en brengt zijn vakanties thuis door. Zijn zusje Johanne verafgoodt haar grote broer en heeft met haar kleine vingertjes allerlei kleedjes voor hem geborduurd en zijn kamer opgefleurd met verse bloemen. Maar zijn thuiskomst is een desillusie. Hij heeft geen oog voor attenties, wil niet met haar spelen en gaat volledig op in zijn spannende boeken en ‘jongensdingen’. Moeder ziet de teleurstelling door deze ‘empathiekloof’ bij Johanne en probeert Valdemars ogen te openen voor zijn egocentrische en ondankbare gedrag.
'Ja maar mama,' wierp hij tegen, 'dat was gewoon omdat ik niet wist van wie die cadeautjes waren. Je hoorde toch dat ik papa bedankte voor de mooie lamp waar ik heel blij mee was?' 'Precies, waar je heel blij mee was,' onderbrak zijn moeder hem. 'Kijk, dat is het 'm nu juist. Je wilde graag een eigen lamp, daarom was je er blij mee en daarom was je dankbaar. Voor de andere dingen had je verder geen belangstelling en daarom schonk je er zo weinig aandacht aan dat je zelfs vergat om te vragen wie de gulle gever was zodat je die kon bedanken. Je laat je dankbaarheid bepalen door de waarde die het geschenk voor jouzelf heeft. Maar jongen, denk er eens over na, dan zul je vast inzien dat je dat niet hoort te doen. Onze innigste dank geldt niet het geschenk maar het liefdevolle hart dat ons er blij mee dacht te maken.'(...) Toen Valdemar dat hoorde werd hem duidelijk hoe teleurgesteld Johanne zich moest hebben gevoeld en hoe ondankbaar hij zelf had gehandeld.
Hij maakt het goed met Johanne en ze vindt hem dan ook ‘de liefste broer die je kunt hebben’. ’s Avonds zegt ze tegen haar moeder:
'Mama, ik moet je wat zeggen. Valdemar is veel beter dan ik want ik deed de afgelopen dagen heel stom. Ik ergerde me aan hem en was boos omdat ik dacht dat hij niets om me gaf of om de dingen die ik voor hem had gemaakt. Was dat niet ontzettend stom van me, mama?' (...) Toen Valdemar hoorde hoe zijn lieve zusje zijn gedrag probeerde goed te praten en hoe snel ze weer blij was, nam hij zich voor om in het vervolg altijd rekening met haar te houden, lief voor haar te zijn en zijn best te doen om haar blij te maken. En omdat Valdemar een jongen met een goed hart is, gaan we ervan uit dat hij zich aan die belofte heeft gehouden.
Deensgezind

Vanaf de jaren 70 van de negentiende eeuw kwam er steeds meer kritiek op de overdreven spannende verhaallijn in de Engelse jeugdboeken en ontstond er een roep om realistischer boeken van eigen bodem. Boeken die over de eigenheid van Denemarken gingen, over de Deense natuur, over wat het betekent Deen te zijn. Boeken doortrokken van vaderlandsliefde dus.
Die zaadjes waren al geplant in de Romantiek. Andersen en tijdgenoten bezongen de trouw aan de Dannebrog (de Deense vlag) en de lieflijke glooiende velden, de wuivende akkers en lange stranden. Dat patriottische sentiment werd sterk aangescherpt door de uitkomst van de Deens-Duitse oorlogen, met als zwartste bladzij het jaar 1864 waarin Denemarken het zuiden verloor aan de Duitse Bond.
Al was de behoefte er, toch duurde het nog tot ongeveer de eeuwwisseling voor deze thema’s in jeugdboeken werden verwerkt.
Met de verhalenbundel Sønderjyske Børn efter 1864 uit 1898 van Laura Kieler was het wel meteen goed raak. Het gloeiende patriottisme spat ervan af.

In een vorig blogbericht kwam Laura Kieler (1849-1932) al naar voren als een strijdlustige dame. In dat bericht schrijf ik het een en ander over haar leven en werk. Wat ik daarin niet heb genoemd is dat ze enorm begaan was met de bevolking in Zuid-Jutland die na 1864 onder het Pruisische juk zuchtte. In Sønderjyske Børn efter 1864 richt ze zich specifiek op de kinderen – als personage en als doelgroep. In het voorwoord geeft Kieler aan dat de gebeurtenissen in het boek op waarheid berusten: ze heeft ze uit betrouwbare bron gehoord of zelf meegemaakt. De wereld mag het lijden van de bevolking in die regio niet vergeten en ze hoopt dat deze bundel de liefde van alle kinderen voor hun Zuid-Jutse landgenootjes zal aanwakkeren.
Of alle verhalen pedagogisch helemaal verantwoord zijn, betwijfel ik. Ze pakt de ontvankelijke kinderziel bepaald niet met fluwelen handschoenen aan. Ook al zouden de verhalen op waarheid berusten, dan kun je je toch niet aan de indruk onttrekken dat ze haar eigen vechtlust op de personages projecteert.
Zoals in het verhaal Ich bin kein Preusse over de brute wijze waarmee een Pruisische onderwijzer het er bij de kinderen letterlijk probeert in te rammen dat ze de Pruisen als hun meerdere erkennen. Het onderwijs wordt tijdens de Pruisische heerschappij onder Duits-nationalistische vlag gegeven.
De onderwijzer heeft een hartgrondige hekel aan Denen en alles wat rood-wit is als symbool van Deensheid – zelfs roodbonte koeien moeten het ontgelden. Maar het meest van alles haat hij de schooljongen Knud.
Knud was niet Deensgezinder dan de rest maar de onderwijzer voelde onbewust dat het kind hem de baas was. En dus besloot hij zijn wil te knakken. Knud was de beste leerling, vlot van de tongriem gesneden en de trots van zijn ouders. Die hadden hem liefde voor God en de Deense moedertaal bijgebracht en hem op het hart gedrukt altijd de waarheid te spreken.
Op een dag moeten de kinderen het lied Ich bin ein Preusse zingen. De kinderen saboteren de boel en zingen: Ich bin kein Preusse,/ Kennst du meine Farben? / Die Fahne schwebt mir rot und weiss voran!. De leraar ziet Knud als de aanstichter en geeft hem een geducht pak rammel. Knud ondergaat de klappen ‘met een gelukkig en trots gevoel dat hij zijn land heeft verdedigd.’ De leraar schuimt van woede door die gelaten houding en is vastbesloten Knud eronder te krijgen. Onder toeziend oog van de schoolinspecteur ranselt hij Knud af met de zweep.
De onderwijzer sloeg steeds harder. Alle ergernis en vernederingen die hij door die Deense schooljeugd te verduren had gehad sinds hij het jaar ervoor in dat vervloekte land was gekomen, dat moest de rug van die jongen ontgelden! Het zag Knud zwart voor ogen, een snerpende pijn sneed door hem heen waardoor zijn hart het bijna begaf. Wat hem overeind hield waren de gedachten aan het heldhaftige gedrag van zijn voorvaderen. 'Maar dat waren grote, sterke mannen en hij was maar een jongetje van twaalf'.
Bewusteloos geslagen wordt hij naar huis gebracht waar hij een tijdlang tussen leven en dood zweeft. Tenslotte komt hij even bij en onder de verzuchting: ‘Mama, ik heb niet gelogen!’ valt hij in de armen van zijn moeder in een heilzame slaap.
Maar zijn vader keek naar de slapende jongen. Zijn gezichtsuitdrukking zei beter dan woorden dat het aangeboren sterke rechtvaardigheidsgevoel van de bevolking van Zuid-Jutland evenals hun gloeiende patriottisme maakt dat ze koppigheid altijd met koppigheid zullen beantwoorden als de agressor hen met zweepslagen wil dwingen om Pruis te worden.
Empathisch graven in de kinderziel
De oplettende lezer heeft misschien gemerkt dat de kopillustratie van deze website is gewijzigd. Die aanpassing geeft me de ruimte om over de eeuwgrens en de tot op de draad versleten negentiende-eeuwse thematiek heen te kijken en verfrissende nieuwe ontwikkelingen mee te nemen in mijn berichten.
Het blijft wat gissen of kinderen na de eeuwwisseling meer gingen lezen. Er zijn de nodige kinderdagboeken bewaard gebleven waarin kinderen noteerden wat ze gelezen hadden, maar de vraag is of je daaruit algemene conclusies kunt trekken over het leesgedrag. De toename van het aantal uitgebrachte jeugdboeken daarentegen lijkt wel een duidelijke graadmeter. Het kind werd een literaire consument om serieus rekening mee te houden. In 1900 verschenen er nog 100 nieuwe titels in dat genre, om daarna gestaag toe te nemen tot ruim 1900 in het jaar 2000. Dit aantal stijgt nog steeds, voor 2017 staat de teller op exact 2667 nieuwe uitgaven.3
Ook de thematiek verschoof na de negentiende eeuw, vooral toen de traditionele orde kantelde door WO I. De oorlog had de leegheid en ondoelmatigheid van veel ingesleten waarden schrijnend blootgelegd. Twintigste-eeuwse kinderen lezen boeken waarin niet zij maar de volwassenen worden opgevoed, meisjes doen in durf en kansen niet onder voor jongens. De wereld staat op zijn kop.
Er kwam ook steeds meer aandacht en begrip voor de kinderpsyche. In de negentiende eeuw met zijn nadruk op christelijke en rolbevestigende deugdzaamheid zijn de personages veelal stereotype wezentjes zonder uitgesproken persoonlijke gedachten, gevoelens en emoties. De kinderziel was nog weinig of niet ontgonnen.

Bitten van de helaas te jong gestorven schrijfster Bertha Holst (1881-1929) is een mooi voorbeeld van hoe het ook kan.
Haar boeken hebben meestal een klein meisje als hoofdpersonage, omringd door volwassenen die aanvankelijk niets snappen van wat er in het kind omgaat. Holst kan begrip opbrengen voor alle personages, jong en oud – niemand is echt slecht, er is altijd wel een oorzaak aan te wijzen voor naar gedrag. Met een opvallend inlevingsgevoel schildert Holst hoe een kind het ervaart als het zich ongewenst voelt, als het huiselijke warmte en liefde mist. Haar werk komt heel authentiek over, wat ook niet mag verbazen aangezien ze daarvoor kon putten uit haar eigen verdrietige jeugdervaringen. Ze werd als buitenechtelijk – en kennelijk ongewenst – kind kort na de geboorte in een kindertehuis ondergebracht. Op vierjarige leeftijd werd ze geadopteerd door een grootgrondbezitter op het eiland Fyn, die getrouwd was met een zus van de schrijver Herman Bang. Na het overlijden van haar adoptiefvader verhuisde ze met haar moeder naar Kopenhagen waar ze een woning gingen delen met Herman Bang. Ongetwijfeld zullen de gesprekken vaak over schrijven en literatuur zijn gegaan, al zie ik in haar werk geen directe invloed van Bang terug. Holst ging als onderwijzeres aan de slag tot ze in 1907 wegens tuberculose langere tijd in een sanatorium moest doorbrengen. Tijdens die noodgedwongen rustperiode begon ze zelf te schrijven. Haar jeugdboeken werden enthousiast ontvangen, vooral Bitten [Ukkepuk] uit 1910. Met een achtste druk in 1958 bleef Bitten nog lang populair.

Bitten is een aandoenlijk lief verhaal. Het weesmeisje Bitten (Ukkepuk), wordt na een jarenlang verblijf in een kindertehuis op twaalfjarige leeftijd door haar grootvader in huis opgenomen, met als belangrijkste reden dat hij de kosten voor het tehuis te hoog viindt. Bars en nors is hij – heel anders dan Bitten zich gedroomd had van een ’thuis’. Bitten is een ongecompliceerd zonnestraaltje en doet al snel de harten van de huishoudster en het verdere personeel op grootvaders landgoed smelten. Maar hoe ze ook haar best doet, grootvader blijft afwerend. Ze krijgt tot haar afgrijzen thuisonderwijs bij een tante met twee truttige dochtertjes. Het drama is compleet als ze bij tante moet intrekken voor een ‘keurige’ opvoeding. Om een lang verhaal kort te maken: opa begint zich te realiseren dat hij Bitten eigenlijk wel mist. ‘Het was toch merkwaardig dat je zo aan een kind kon wennen.’
Veel liefdevolle gevoelens die jarenlang op de bodem van zijn eenzame hart hadden liggen sluimeren, ontwaakten als hij Bitten zag. Maar het kwam in de verste verte niet in hem op dat Bitten behoefte zou kunnen hebben aan een liefkozing of een vriendelijk woord van haar opa. Dat kwam misschien doordat hij een oude man was die al vele jaren niemand had gehad om van te houden.
Ook tante is met alle strengheid de kwaadste niet:
Tante Cordelia was niet gemeen, ze was alleen maar kil. Maar dat kon ze niet helpen. Dat kwam door haar moeder die altijd zei: 'Cordelia, beheers je. Alleen simpele zielen laten zich door hun gevoelens meeslepen.'
Bitten is in al haar eenzaamheid in tantes huis recalcitrant en koppig. De spanning in huis escaleert als ze hoort dat haar voormalige speelkameraadje verdronken is. Radeloos loopt ze bij tante weg, terug naar opa’s huishoudster voor een luisterend oor en een troostende knuffel. Doornat geregend komt ze meer dood dan levend bij opa aan en zweeft een tijd op het randje van de dood. Die aanblik opent opa’s ogen en hart. Toen hij zag dat Bitten bijkwam ‘braken de knellende banden om zijn tong en zei hij heel teder: ‘Lieve kleine Ukkepuk van me. Opa is ontzettend blij dat je nu weer beter wordt. Je hoeft nooit meer weg.’ En vanaf dat moment is opa tegen iedereen vriendelijk.
Voor haar dertiende verjaardag krijgt Bitten het mooiste cadeau dat je je kunt indenken: de liefde van opa. En een puppy.
De wereld op zijn kop
Wat je al in Bitten ziet, de opvoeding van volwassenen, gaat in Lotte Ligeglad (1936) van Karin Michaëlis (1872-1950) nog een grote stap verder. Bij haar zijn kinderen absoluut de meerdere van onmondige volwassenen, ze zijn vindingrijk, zelfstandig, ondernemend en vaak onbedoeld grappig. Ook de vrouwenzaak lijkt ineens een enorme inhaalslag te hebben gemaakt nu een meisje het brein achter de doldwaze avonturen kan zijn.
In Lotte Ligeglad zie je het gedachtegoed van de Oostenrijkse pedagoge Eugenie Schwarzwald terug, met wie Michaëlis hecht bevriend was. Schwarzwald was een pionier op het gebied van onderwijsvernieuwing met een focus op het stimuleren van de creativiteit en fantasie die kinderen eigen is. Vooral het onderwijs voor meisjes was volgens Schwarzwald danig aan een ‘reform’ toe.
‘Er was eens in een ver land … ‘ Nee, zo begint Lotte Ligeglad niet. Al bij de eerste zinnen is duidelijk waar het verhaal zich afspeelt, zo realistisch en tastbaar alsof je Lotte daar zo zou kunnen tegenkomen. Zeker omdat de lezer direct wordt aangesproken:
Natuurlijk weet iedereen die in Kopenhagen woont, waar Nyhavn ligt. Maar omdat er gewoon ook rare mensen zijn die aan de andere kant van de wereld wonen, moeten we het toch even uitleggen. Anders verdwalen ze als ze op zoek gaan naar Nyhavn. Denemarken is natuurlijk het middelpunt van de wereld, daar zijn wij Denen het tenminste helemaal over eens. Het middelpunt van Kopenhagen is het plein Kongens Nytorv. En het middelpunt van Kongens Nytorv is op zijn beurt 'het paard'. Dat staat al meer dan honderd jaar op dezelfde plek en op dezelfde vier vermoeide benen. Nu kan het binnenkort gewoon niet meer. Het begint al door zijn achterbenen te zakken, als een sneeuwpop waar de zon vat op krijgt. Gelukkig is het paard niet levend, dus je hoeft het niet erg voor hem te vinden. Maar zoals we al uitlegden, is het paard zelf het middelpunt van het middelpunt van de wereld. Als je nou voor het paard staat, zie je vanzelf Nyhavn - dan moet je wel even de goede kant op kijken natuurlijk. Nyhavn ligt daar waar de masten de lucht in steken.


Een heerlijk staaltje vaderlandsliefde!
En daar in Nyhavn woont weduwe Gormsen met haar vier kinderen. Moeder drijft in de kelderwoning een winkeltje in zeemansbenodigdheden maar laat door haar naïviteit de nodige inkomsten lopen. Gelukkig heeft ze doortastende kinderen die haar vaak uit de nood helpen. Vooral de twee oudsten, Anton en Lotte Ligeglad, doortastende straatschoffies met een goed hart, moeten haar vaak uit de nood helpen. Lotte is een onverstoorbaar positief en zielstevreden zonnetje in huis. ‘Ligeglad’ betekent letterlijk ‘onverschillig’, maar dat past niet bij haar persoonlijkheid. Als je ‘ligeglad’ in zijn afzonderlijke woordbestanddelen splitst, ‘lige’ = ‘gelijk’ en ‘glad’= ‘blij’, dan zou je tot een vertaling als ‘evenblij’ kunnen komen, wat de lading beter dekt. ‘Lotte Evenblij’ dus. Broer Anton is verslingerd aan kruiswoordpuzzels en spit in de bibliotheek encyclopedieën door om de goede antwoorden te vinden. Hij weet gewoon alles. Op zekere dag wint hij er een prijs mee: een exquise ‘diner transportable’, een thuisbezorgd diner, van zes gangen voor 2 personen. Via een uiterst onnavolgbare berekening komt Lotte erop uit dat ze dan een etentje voor 12 personen zouden kunnen organiseren. Het woord wordt al snel verhaspeld tot ‘dinertransformabelmiddagsselskab’ en neemt magische dimensies aan. (Dat verhaspelen op basis van de uitspraak van grote-mensenwoorden doet Michaëlis trouwens graag: ‘detective’ wordt ‘dektiv’, ‘portière’ wordt ‘potjere’, ‘servietter’ wordt ‘savietter’ , ‘polonaise’ wordt ‘Jysk på næsen [Juts op zijn neus]’ enzovoorts.)
Ze nodigen allerlei bewoners van het flatgebouw uit die wel een verzetje kunnen gebruiken. Maar zoals de lezer al verwacht, lijkt het feestje in duigen te vallen als ze de werkelijke porties zien. En dan volgt er geen vermanend vingertje of straf, nee zeker niet. We zitten tenslotte niet langer in de knellende negentiende eeuw. Het feestmaal wordt gered door een van de genodigden, een kapitein, die het nodige eten van zijn schip aansleept. Dan maar minder luxe, maar de stemming zit er in ieder geval goed in. ‘Ze waren in de zevende hemel, gewoon, omdat er geen achtste is.’

Lotte Ligeglad en zeker de ongeveer gelijktijdig geschreven serie over het meisje Bibi lijken een blauwdruk voor de latere Pipi langkous-avonturen van Astrid Lindgren, een ongekend populaire Zweedse serie vanaf 1945. Het zijn allemaal onbevreesde, avontuurlijke, onafhankelijke meiden met een gouden hart. Maar anders dan bij Pipi in Villa Kakelbont met een piraat als vader zijn de grenzen bij Lotte wel enorm opgerekt, maar niet overschreden. Bij Lotte zijn de avonturen, hoe bizar ook, toch meer in de werkelijkheid gesitueerd. Bibi is een moederloos meisje dat als dochter van een stationschef gratis per trein kan reizen en de nodige avonturen beleeft.
Lotte Ligeglad en de Bibi-boeken werden geschreven in het grimmige interbellum waarin behoefte was aan cultuuroptimisme. De hoop was daarbij gevestigd op een eerlijke, weerbare en doortastende jeugd – zij immers waren het die de toekomst vorm moesten geven.
Overzicht kinderboekenschrijfsters 19de eeuw
Honderd jaar jeugdlectuur – een eeuw waarin het genre langzamerhand volwassen werd.
Hoe onvolledig het beeld ook is dat ik hierboven heb geschetst, je kunt je toch niet aan de indruk onttrekken dat vrouwelijke jeugdboekenschrijvers maar schamel vertegenwoordigd zijn in de negentiende eeuw, zelfs in de tijd van aanzwellende vrouwenemancipatie. Als vertalers en bewerkers van klassiekers uit de wereldliteratuur hebben ze zeker hun steentje bijgedragen, maar zelfstandig werk kwam pas in de tweede helft van de eeuw voorzichtig op gang. In de twintigste eeuw groeide hun aantal ras.
In het onderstaande overzicht heb ik de belangrijkste jeugdboekenschrijfsters en -vertaalsters tot aan 1900 op een rijtje gezet:
Maria Bojesen. (ps. Ernst Mindekjær). Vooral vertalingen van Engelse jeugdboeken zoals Robin Hood. Rond 1850.
Betty Salomon. Vertalingen van Engelse en Duitse jeugdboeken, vaak religieus getint en moraliserend. Vertaling van Alice in Wonderland in 1875.
Annette Colbjørnsen. Levendige, milde verhalen. Rond 1860.
Gerda Christens. Moraliserende verhalen. Rond 1860.
Ilia Fibiger. Serieuze, religieus getinte verhalen, soms met een gothic-achtig sprookjeselement. Rond 1860.
Kristen Kold. Dierenverhalen. Rond 1860.
Betty Saugmann. Jeugdherinneringen. Vooral het alledaagse leven. Rond 1870.
Fanny Tuxen. Religieus-moraliserende verhalen. Tussen 1870 en 1890.
Therese Brummer. (ps. Fru Elisabeth). Zelfstandig werk en bewerkingen van Engelstalige jeugdboeken. Rond 1890.
Mathilde Groos. (ps. "G"). Vooral bewerkingen van jeugdboeken in het Engels, Frans, Noors, Italiaans. Rond 1890.
Augusta Fenger. Vertaling van de Duitstalige Heidi-serie. Rond 1890.
Amalie Skram. Bundel Børnefortællinger. Spannend, geen moreel oordeel. 1890. Niet speciaal jeugdboekenschrijfster.
Laura Kieler. Bundel Sønderjyske børn efter 1864. 1898. Niet speciaal jeugdboekenschrijfster.
Anna Erslev. (ps. Anna Borch). Vooral bewerkingen van buitenlandse boeken, zoals Alleen op de wereld van Hector Malot. Daarnaast veel verhalen voor jeugdtijdschriften. Begonnen rond 1885, grootste productie na 1900.
Emma Kraft. Verhalen over het leven van alledag. Rond 1890.
Nathalie Hagen. Door en door Deense sfeer in de kinderverhalen. Rond 1890.
Voetnoten
- Inger Simonsen,1942. Den danske børnebog i det nittende århundrede, Nyt Nordisk Forlag, Arnold Busck, København, p. 87. Overigens was Simonsen naar eigen zeggen de eerste die met zijn studie in 1942 serieus onderzoek had gedaan naar jeugdlectuur.
- Anton Andersen, 1896, Danske Forfatterinder i det nittende hundredaar. Em. Laghoffs Forlag, p. 263.
- Volgens cijfers van Danmarks Statistik.
Was erg boeiend om te lezen!
Dankjewel! Het was een leuke klus om te doen. Er is eigenlijk bar weinig onderzoek naar gedaan en dan is het leuk als je er een lijn in kunt vinden. Natuurlijk is zo’n blogbericht als dit heel onvolledig – vanuit een ander perspectief kun je misschien weer heel andere ontwikkelingen destilleren. Ik hou me altijd aanbevolen voor nieuwe invalshoeken.
Pingback: Op zoek naar Torelore (1) – Een schrijversportret van Karin Michaëlis | vertaalschetsen.nl